1. Inleiding
Ik denk dat een inleiding goed moet zijn voor kinderen vanaf 7 jaar (samen met hun opleiders en opvoeders) èn voor volwassenen.
Ik heb geleerd dat de volle aandacht voor de zet (het tempo) als de materiaal- en ruimtefase geweest zijn.
Laten we het over het zetten hebben.
Zetten doen we om de beurt; we verzetten dan een stuk of pion volgens de regels van het veld van dit moment naar een ander veld. Een kind kan de was doen.
Andere vragen zijn: Waarom dit stuk? En: Waarheen dan? En kijk wat er veranderd is op het bord! Verbeterd?
In het boekje van Ton Lodder ‘Schaakwoorden’ het jargon verduidelijkt (109 pp, mei 20061) komt zet pas op p. 106 aan de orde. 1 verplaatsing van een stuk of pion en 2 aan zet zijn, aan de beurt zijn.
Het gaat in alfabetische volgorde. Het zal wel vaker over verschillende zetten gaan, maar nu alleen over zetdwang (met diagram!; wat goed …) en over zetherhaling (foutieve aanduiding voor *stellingherhaling).
Ik ken er wat meer: openingszet, dwingende zet, wachtzet (p. 104), stille zet (p. 86), matzet. En ‘schaak’ heeft ‘zet’ er niet bij nodig.
Het boekje is niet om in te leiden. Een inleiding zal wel thematisch moeten zijn.
Verder lezen





