TER INLEIDING

      Geen reacties op TER INLEIDING

Ter inleiding

Inleiden
Leren is altijd wennen; iets heel nieuws leren zeker. Een inleiding kan hierbij helpen. “Wen er maar aan.”
Elke trainer, leraar, docent begint elke les met een inleidinkje, zo kort en helder als het maar kan – en het steekt nauw. Het moet wel even zinnig zijn; ook de grap. Je krijgt je publiek mee of niet.
“Waar gaan we het nu over hebben? Hoe gaan we een stapje verder dan waar we gebleven?”
We komen binnen met vragen.
Met open vragen beginnen we om (weer) iets te delen.
Eén goede vraag is beter dan duizend antwoorden.

Inleiden is heel wat anders dan dicteren …
Als de een alles voor het zeggen heeft en de ander alleen maar te zwijgen, is de kans groot, dat er niets wordt gedeeld.

Jij bent een persoon in een bepaalde rol; schaken is een werkwoord en een ding. Je kunt het tot jouw zaak maken. Samen met anderen, minstens met één. Want dan kun je spelen.

Als je er zelf en alleen mee aan de slag gaat: Lees en onthoud toch gewoon; het went wel. Wennen is goede gewoontes leren.
Als het direct al bijzonder is, gaan we ons aanstellen. Het kan iets bijzonders worden …

En je kunt er een sport van maken. Dan zal het er wel om gaan om je spel goed te leren en te verbeteren. Dan is een goede opleiding gewenst. Leg een basis, een fundament, een ondergrond. Een inleiding is maar een inleiding …

Opleiden

Niet alles is onmiddellijk gewoon; er zijn zoveel details. Zulke kleinigheden komen aan de orde in een methode.
Een methode is gemaakt om een bijzonder doel te bereiken. Wat komen we doen? Waar zijn we mee bezig?
We volgen een uitgestippelde weg naar een doel; in een methode komen we de middelen één voor één tegen. Jij maakt die voor jou gewoon. Je volgt een opleiding, maar je doet die ook. Het wordt je eigen werk, bij huiswerk helemaal; je maakt je iets eigen.
De ene handigheid komt na de andere. Er zijn zaken die we moeten leren zien. Voordat we iets doen; bij schaken: een zet. Het is spelenderwijs te leren.

Wat biedt een goede methode?
Die stapelt laag(je) voor laag(je) omhoog. Het gaat om de combinatie van kennis en kunde, vaardigheid. Je hoeft niet alles te weten. Dat maakt niet gelukkig. Als het al kan … alles. Vergeet dat maar bij schaken. Een beetje begrip is al heel wat, vormt een basis.

Bij basis gaat het om verbreding. We moeten tegelijkertijd met nogal wat rekening houden. Er zijn onmiddellijk twee hoofdzaken: activiteit en kwetsbaarheid. Gaat het om een evenwicht, een balans?

Het gaat ook nog eens om verdieping in de vraag: “Waarom?” Waarom is een zet goed of zelfs nodig? Waarom leren we dit? En ook: Waarom zijn we hiermee begonnen? We leren voor onze toekomst met het spel. We werken nu aan een verleden.

En hoelang gaat dit duren? Hoelang moeten we vooruit? Hoever kijken we vooruit? Hoelang duurt een schaakpartij soms wel niet! Kunnen we geduld opbrengen, passie volhouden? Duurzaamheid, ook een onderwerp.
(“… breedte en lengte en hoogte en diepte …”, vgl. Ef. 3:18; de volgorde even anders.)

In het spel brengen we in praktijk wat we geleerd hebben. Zeg niet dat je methodisch moet spelen; liever eerst gedisciplineerd en tenslotte technisch.
Laat rustig bovenkomen wat in je geheugen gegrift staat.
Het zal in de praktijk aankomen op: goede zetten doen. Oefening baart kunst.
Waarom dit wel en dat niet? Wat is nog beter en wat is het beste? Het komt aan op details; de zaak spitst zich toe. Ben je erop gespitst?
Daarom komt het lastigste nog: begeleiding.

Begeleiden
Je spel beoordelen tenslotte kun je zelf doen of je haalt er een coach bij. Leer nog eens en nu van je foutjes. Analyseer je partijen. Wat ging goed? Wat moet je bijspijkeren? “Al doende leert men.”
Wie volgt jou en wie wil nog eens naar je werk kijken? Die opleider van jou misschien? Jij hebt je doel duidelijk gemaakt. Je opleider hoort tot dit voorlopige eind mee te gaan. Nogal schandalig als die dit af laat weten.

Opmerkelijk
a. Het is niet eigenaardig om schaakstukken met een hoofdletter te schrijven (Koning, enz.), een pion alleen met de naam van het veld.
b. In het commentaar betekent ‘D op f6’: ‘Dame op veld f6’.
c. En i.p.v. ‘stuk van de tegenpartij’ (of: ‘vijandelijk stuk’ – erg, toch?) schrijven we: ‘vreemd’ stuk.
e. En soms staan er waarden. [1.00] betekent “Wit heeft ongeveer één pion voordeel”. Bij [-1.00] “Wit heeft ongeveer één pion nadeel”. Dit is computerrekenwerk …
f. In de tekst staan schaakbegrippen cursief en vet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *